Deze week ging ik met vrienden naar Lisse. Wat bezielde ons? Wat is er nu in hemelsnaam midden in de winter in Lisse te doen? Niks, helemaal niks, kan ik u verzekeren. Tegen de avond kwamen we in een volkomen uitgestorven centrum. Geen mens te zien. Als je het overbekende kanon had afgeschoten, had je alleen een gat in de kerk geschoten. Toen we de plaatselijke kroeg binnentraden was er geen klant te zien. De kroegbazin was bezig alles een lekker sopje te geven. Toen ze ons vriendelijk geholpen had, ging ze daar rustig mee verder. Ze wist het: Er komt niemand meer. Ook bij de plaatselijke Italiaan, waar we even een hapje gingen eten kwam de leegte op je af. Nee, Lisse in de winter is niet de plek, waar je moet wezen. Over ’n paar maanden, als de nabijgelegen Keukenhof zijn poorten weer opent zal het ongetwijfeld weer volstromen, maar nu bevindt het zich in een diepe winterslaap. Tenminste zo leek het, maar op het ‘Landgoed Keukenhof’ vond toch stiekem een bijzonder concert plaats van enkele studenten van het Koninklijk Conservatorium Den Haag. Zo maar! In een plaatsje dat eigenlijk niet gestoord wilde worden. De dochter van mijn vrienden was een van de studenten die er optrad. Vandaar. In de pauze liep ik even naar buiten om een sigaretje op te steken. Buiten stond een oudere rijzige man te genieten van zijn sigaartje. “Hoe vond u het concert?”, vroeg ik hem. Hij trok even nadenkend aan zijn sigaar en zei toen: ”Ik vind het een mooi, maar vreemd concert”. “Oh”, zei ik, “hoe bedoelt u dat?”. “Kijk ik ben in mijn leven al naar veel concerten geweest. Bovendien heb ik mijn hele leven piano gespeeld. Echt wel serieus, want ik houd van het instrument. Bijna iedere dag speel ik wel even. Niet professioneel of zo, zeg maar ’n aardig goede amateur. Maar wat ik hier hoorde heb ik zelden meegemaakt. Kijk, die tweede pianiste hè, ik ben d’r naam nu even kwijt, maar ze begeleidde die mezzo in liederen van Rachmaninov. Die speelde zo fantastisch dat ik me er op betrapte dat ik alleen naar haar zat te kijken.
Fascinerend, omdat ze een zangeres begeleidde en niet soleerde. Mooi hoor, die zangeres en echt heel goed. Dat meisje komt er absoluut, maar meer voor de opera, denk ik. Prachtige, krachtige stem en een goede uitstraling. Zo heet dat toch tegenwoordig? Nee, het was die pianiste, die me zo intrigeerde. Ze speelde zo intens en met zo’n prachtig ingetogen en verfijnde frasering. Tsjonge en die verstilling die ze af en toe in haar spel aanbracht. Dat hoor je niet zo vaak meer bij jonge pianisten. Nee, zij is voor mij de ster van de avond. Vond u ook niet?” “Meneer, ik ben het volkomen met u eens”, zei ik, “ik had het niet beter kunnen verwoorden”. “Ik moet toch eens kijken hoe ze heet, want haar wil ik onthouden”. “Iris Hond”, zei ik. “Een heel bijzondere pianiste”, waar komt ze eigenlijk vandaan?” mijmerde hij verder. “Uit Harderwijk”, zei ik, “En let op straks begeleidt nog ze liederen van Liszt. Verheug u daar maar vast op. Iris en Liszt! Uw avond is nog niet voorbij”. “Kent u haar dan, dat u dat zo zegt?” zei de man. “Vanaf haar wieg”, zei ik. “Dan bent u wellicht wat bevooroordeeld”, zei hij glimlachend. “Reken maar!”, zei ik, “daarom ben ik zo blij dat u kennelijk hetzelfde hebt gehoord als ik”. Na het concert zag ik hem nog even in de verte. Hij lachte en stak zijn duim enthousiast omhoog. Toen we vertrokken lag er over Lisse nog steeds een diepe verstilling. Misschien wel uit respect voor haar prachtige spel.



















lief
super lief!
[...] Roeland Wels schrijft over de zangrecital in Kasteel Keukenhof op 18 januari jongsleden: [...]